Waar is thuis?

De telefoon gaat. “Is mevrouw Pullens uw moeder?“ Dat bevestig ik. “Ze staat hier in Oss bij de Wellen, maar ze woont hier toch niet meer?” Wat doet ze daar? Ik vertel de vrouw aan de telefoon dat ze al een jaar in Jozefoord woont, in Nuland. Wat doet ze in Oss? Ik praat even met mijn moeder en beloof dat ik het zal oplossen. Snel bel ik naar de afdeling van mijn moeder. Daar zijn ze bezorgd en haar overal aan het zoeken. Gelukkig is ze terecht. Nu nog regelen dat ze thuis komt. Wat is ‘thuis’? Als je dat aan mijn moeder vraagt, dan zegt ze meestal: De Wellen in Oss. Ze loopt de poort uit, komt iemand tegen die haar heel vriendelijk wil begeleiden naar huis. Ze nemen de auto en brengen haar naar Oss.
proostDe interne verhuizing naar de nieuwbouw heeft voor verwarring gezorgd. “Hoe gaan we naar huis? Komt het busje mij zo halen?“ Ik probeer haar dan uit te leggen waar ze woont. “Je woont hier. Jozefoord. Je herkent het zo meteen. Wacht maar af.“ Ze is verbaasd. “Echt waar? Ik kan het me niet voorstellen.“ Ik neem haar bij de arm. “We gaan gewoon kijken of het je hier bevalt en als je het leuk vindt, dan blijf je.”  We lopen de brede serre in, waaraan twee woongroepen grenzen. “Zullen we nog wat gaan drinken?” vraagt mijn moeder. “Eens kijken welk hotel nog open is. Dit vind ik wel een leuke plek.” Ze kiest haar eigen woongroep uit en bestelt een drankje bij de verzorgster in de witte jas. Die speelt vrolijk mee en schenkt ons een glaasje port in. Mijn moeder is verbaasd dat ze niet hoeft te betalen. Het bevalt haar.

Ga maar iets voor jezelf doen
“Waar is mijn moeder?“ In de huiskamer van mijn moeders woongroep zitten een aantal dames rond de tafel koffie te drinken, maar mijn moeder is er niet bij. “ Ze is op haar kamer.“ zegt de gastvrouw, die in de open keuken pannenkoekenbeslag staat te roeren. Ik klop zachtjes op mijn moeders kamerdeur. Ze ligt op bed. “Ha lieverd, wat leuk dat je er bent. Ik lig net even te rusten. Ga jij maar op de bank slapen.“ Ik doe dat regelmatig. Even liggen. Mijn moeder vind dat heerlijk. Samen slapen. Lekker knus. Meestal kan ik daar ook van genieten, maar nu niet. Ik heb zin in koffie. “Ga dan maar iets voor jezelf doen.“ zucht mijn moeder vanuit haar bed. “Ze hebben ‘beneden’ vast wel koffie. Dan leer je de anderen ook kennen.“
Tja. Ik loop naar de huiskamer en krijg koffie van een van haar medebewoonsters, die het gezellig vindt dat ik er bij kom zitten. “Koekje erbij?” Ondertussen ligt de eerste pannenkoek in de pan. Het ruikt lekker. “Wil je mevrouw De Bruin even helpen?” vraagt de verpleegkundige. De pan wordt uitgezet, want de bewoners zijn belangrijker dan de pannenkoeken.  pannenkoek“Zal ik verder bakken? “ vraag ik. Even later sta ik de pannenkoeken om te draaien in de keuken. Eén voor één in die ene koekenpan die ze op de groep hebben. Traag. Maar daar wen je aan. Alles gaat hier traag. Eigenlijk is dat wel fijn. Werken met aandacht.
De verzorgster komt giechelend terug. “Ik liep even bij je moeder binnen om te vertellen dat jij er bent. Weet je wat ze zei? “Is mijn dochter er nou nog steeds!” Ik vertelde dat jij pannenkoeken aan het bakken bent. Toen draaide ze zich nog een keer om.“ We lachen allemaal. Ze heeft mij niet nodig. Dat betekent in ieder geval dat mijn moeder zich inmiddels thuis voelt in haar nieuwe kamer.

 

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s